Binnen raast de storm…
“Binnen in je hoofd lijkt het bladstil…”
Zijn ogen staarden leeg de ruimte in. Mensen aan tafeltjes, smakkend, pratend met volle mond. Een golf van geluid sloeg over hem heen—harde lachsalvo’s, bestek dat tegen borden kletterde. Alsof hij onder water werd gezogen. Geluiden doofden langzaam weg. Stilte voor de storm…
Jannes is de jongste uit een gezin van negen kinderen. Een nakomer. Zijn oudste broer heeft hij nooit gekend. “Verongelukt met de motor,” zei zijn moeder altijd. Maar op verjaardagen hoorde hij andere verhalen. “Klaas had zich verhangen in het schuurtje…”
Aan de muur van zijn sobere kamer hangen foto’s van neefjes. Een vergeelde schoolfoto van hemzelf, tweede klas, een dorpje op het Groninger platteland. Jannes was altijd al anders. Een buitenbeentje. Een zonderling. Op zijn tafel liggen puzzels en knuffels. Dit is zijn zesde woonplek in dertig jaar.
Overdag gaat Jannes naar dagbesteding. In het Boschhuis—een eenvoudige uitspanning met een dierenweide—is hij manusje van alles. Hij ruimt tafels af. Doet de vaat. Maar nu even niet…
De deur zwaait open. Een jonge klant stapt binnen, motorhelm in de hand, leren jas half open. “Hé Klaas, we zitten hier!” galmt het uit de hoek. Jannes verstijft. Een groep aan de stamtafel lacht, doopt tosti’s in ketchup. “Jij rijdt je nog een keer hartstikke dood, Klaas, op die snelle motor van je!”
Het blad met glazen, kopjes, schoteltjes glijdt uit zijn handen. Een klap. Brekend glas. Lepeltjes rinkelend op de leistenen vloer. Alle ogen op hem. Zijn adem hapert. Zijn wangen gloeien.
Dan—een oerschreeuw. Rauw. Hartverscheurend. “Klaas hangt zich op! Klaas gaat niet dood op de motor! Klaas hangt zich op!”
De ruimte bevriest. Een doodse stilte.
De begeleider zit aan een tafeltje, het einde van zijn dienst. Staar. Wat heeft hij gemist? Had hij dit kunnen zien aankomen? Dacht hij Jannes te kennen?
Weet jij de verliezen, trauma’s en triggers van jouw cliënten?









